| ||||||||||||||
|
|
Smecno – geschiedenis van het orgel (ca. 1587)
Smecno is een klein stadje, 50 km ten noorden van Praag. Daar is de Holy Trinity, een prachtige gotische kerk. Deze kerk is niet zo groot en de nagalm, met ongeveer 1,5 seconde, is zelfs bescheiden. Maar de reden dat Smecno zo belangrijk is voor de geschiedenis van de orgelmuziek, is dat in de kerk het oudste bespeelbare instrument in de Tsjechische republiek is verborgen. Het instrument werd gebouwd rond het jaar 1587. De datering van de bouw kan gemakkelijk worden afgeleid uit de wapenschilden van de geldschieters, die op de orgelkast zijn afgebeeld maar ook uit de overgeleverde archiefstukken. De orgelbouwer zelf is echter onbekend. Vat staat dat het instrument tijdens de dertigjarige oorlog is beschadigd, en wel in 1631 toen soldaten van de Zweedse leger het Regaal – het enige tongwerk- stalen. Er heeft in het verleden slechts één ingrijpende verbouwing plaatsgevonden. Dat was in 1775 toen een klein Rugpositief werd toegevoegd door Jan Rusch uit Litomerice en ook enkele registers werden gewijzigd. Enkele jaren geleden werd het jongste reconstructie van het orgel door Dusan Doubek afgesloten. Besloten werd daarbij om de oorspronkelijke Renaissance vormgeving van het instrument te restaureren, waarbij de latere barokke toevoegingen ongedaan werden gemaakt. Daarom werd het barokke Rugwerk verwijderd en bezat het instrument opnieuw slechts één manuaal en pedaal. Het manuaal, de trekregisters en het pedaal zijn vernieuwd. De oorspronkelijke registernamen waren nog aanwezig op de registerstijlen en werden ook op een groot aantal oorspronkelijke pijpen in het orgel aangetroffen. Dit maakte de reconstructie van de kenmerkende renaissanceklank van de afzonderlijke registers mogelijk. Nu kunt u weer genieten van de typische Renaissance klankkleur van het orgel. De klank van de fluiten (de Copulas en de Quintadena) is nogal ruig en zelfs tongwerkachtig terwijl de Quintadena, en de Salicinale eerder op een Gamba dan op een Salicional lijken. Het geluid van het Prestantenplenum is erg helder, dank zij de hoge samenstelling van de Mixtura en de Cimbale. De Principale en de Octava principale hebben daarentegen een warm and sonore klank. Het manuaal is gebouwd met twee aparte windladen. De eerste omvat alleen het prestantenkoor en het tweede alleen de fluitstemmen. Er zijn ventielen aangebracht die het mogelijk maken om elk van de laden af te sluiten. Deze ventielen kunnen worden bediend door twee trekregisters, die in Italiaanse stijl "Choro primo" en "Choro secondo" heten. Hierdoor is het mogelijk om het orgel snel om te schakelen tussen het prestantenplenum en de kleine fluitenkoor, waardoor het effect van twee manualen ontstaat. Onderstaande tabel laat zien hoe de registers over de windladen zijn verdeeld.
Dit is de
oorspronkelijke toestand van het16de eeuwse orgel die nu is gereconstrueerd. De manuaalomvang van het instrument: C1 - C5 (in Hauptwerk-terminologie) met een verkort groot octaaf. Het inmiddels verwijderde Rugpositief had, volgens het ondertekende contract met orgelbouwer Jan Rusch (1775), de volgende dispositie: Copol maior 8', Copol minor 4', Quintadena 4' (oorspronkelijk op het manuaal), Principal 2', Octava 1', en nog een onbekend zesde register, mogelijk een Quint. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||