Het virtueel orgelproject 

 

Project 
Orgels 
Features 
Free stuff 
Contact 
Historiek
Screenshots
Foto's
Demo's
Updates
Bestel

                        

Gottfried Silbermann (1683 – 1753)

Beschreven door dr. Jan Skvaril

Gottfried Silbermaan behoort tot de grootste orgelbouwers uit de Duitse barokperiode.
Zijn voorouders zijn afkomstig uit Saksen, een gebied in het zuid-oosten van Duitsland. Gottfried werd geboren in het stadje Kleinbobritzsch. Zijn Vader was timmerman en bracht Gottfried het vak van nauwkeurige houtbewerking bij.

Van1702 tot 1707 verbleef Gottfried bij zijn oudere broer Andreas in Straatsburg waar hij het ambacht van het orgelbouwen leerde.  Andreas stond sterk onder invloed van de Franse en de Italiaanse school van orgelbouwers en dit had ongetwijfeld ook effect op de jonge Gottfried. Om niet in situatie te komen dat hij een concurrent werd van zijn broer, keerde Gottfried in 1710 terug naar zijn geboortestreek Saksen.

Hij bouwde zijn eerste zelfstandige orgel (I/P/15) voor de kleine stad Frauenstein, waar hij ooit naar school was gegaan en waar nu het Silbermann museum is gevestigd. Dit instrument werd, evenals een ander orgel dat hij in 1738 voor Frauenstein (II/P/20) bouwde, later door brand verwoest. Zijn tweede orgel (1714, Freiberg Kathedraal, III/P/44) werd reeds als meesterwerk erkend. Silbermann was een productieve orgelmaker en bouwde tot aan zijn dood in 1753 rond 45 orgels in het betrekkelijk kleine gebied van Neder-Saksen.  Zijn laatste orgel, voor de Katholieke Hofkirche in Dresden, werd in 1755 door zijn medewerkers afgebouwd. Helaas is ongeveer de helft van zijn orgels verloren gegaan door brand, door oorlogsgeweld en door ingrijpende,  niet meer ongedaan te maken wijzigingen. Silbermann bouwde slechts vier 3-manuaals orgels. Zijn instrumenten hadden doorgaans 2 manualen, 20-21 registers en een nogal uniforme dispositie. Uitgebreidere disposities kwamen niet vaak voor. Slechts het instrument in de Petruskerk in Freiberg is als voorbeeld daarvan behouden, terwijl een soortgelijk instrument in Sophienkirche in Dresden in 1945 bij bombardementen werd verwoest.

Silbermann bracht het grootste deel van zijn leven door in Freiberg. Zijn woning en werkplaats bevonden zich op een hoek van de Schlossplatz waar nu een gedenksteen nog aan hem herinnert.
Silbermann was niet alleen een opmerkelijk ambachtsman en kunstenaar maar ook bekwaam zakenman, die door alles nauwgezet uit te rekenen en te documenteren tot grote welstand wist te komen. Hij was zich bewust van zijn eigen kundigheid toen hij op 10 juni 1723 een verzoek indiende voor een erkende titel bij August den Starken. Reeds aan het einde van diezelfde maand honoreerde de koning dit verzoek en gaf hem de titel „Erkend Hof- en Staats-orgelbouwer van het Koninkrijk Polen en het Hertogdom Saksen“.

Over de verhouding van Silbermann met J.S. Bach is veel geschreven. Zij waren tijdgenoten en vrienden. Silbermann was de peetvader van Bach’s zoon Carl Philipp Emmanuel. Op artistiek niveau waren zij het lang niet in alles met elkaar eens. Men kan niet stellen dat de orgels van Silbermann een prototype zijn van een Bach-orgel, alleen al om het feit dat Bach pas vanaf 1725 kennis maakte met zijn orgels en in die tijd had hij al vele van zijn werken geschreven. Bach heeft veel Silbermann orgels bespeeld, maar hem is nooit zijn mening gevraagd bij de eindkeuring van de instrumenten.

Het waarmerk van Silbermann orgels is, behalve het klankbeeld, de perfectie van het meubelmakerswerk en de betrouwbaar werkende mechaniek. Hij gebruikte een relatief hoog tingehalte voor het pijpmateriaal om de hoogst mogelijke helderheid te verkrijgen.
Hij was ook een meesterlijk intonateur en paste de intonatie van zijn betrekkelijk eenvormige orgels aan aan de akoestische eigenschappen van de ruimte.  Hij liet gedetailleerde registratieaanwijzingen achter in zijn orgels te Grosshartmannsdorf en Fraureuth. Hij was, ondanks het kleine aantal gebruikte vulstemmen, behoudend in zijn voorkeur voor een gemodificeerde Middentoon stemming. De klank van zijn instrumenten is zeer evenwichtig, met accentuering van de grondtonen, waardoor de klank aan donkerheid (Gravität) wint. De manualen hebben een betrekkelijk kleine omvang. Dat geldt in het bijzonder voor het pedaal (C-c1) zonder de aanwezigheid van de Cis.
Solo pedaalspel met inbegrip van het spelen van de Cantus Firmus is ook moeilijk door de beperkte dispositie (uitzondering is het kathedraal-orgel van Freiberg). Silbermann bouwde het pedaal tot 1731 uitsluitend aangehangen aan het hoofdwerk. Veel later voegde  hij pas uitschakelbare pedaalkoppels (doorgaans als windkoppel) toe.

Silbermann is toonbeeld van perfect en eerlijk vakmanschap. Hij werkte traditioneel met aan de ene kant een conservatieve inslag, maar aan de ander kant was hij zijn tijd vooruit in zijn migratie vanuit het uiterts barokke ideaal in de richting van een meer romantische klankvoorstelling.  Dit maakte zijn orgels zo uniek en herkenbaar. Op zijn instrumenten kan men op vruchtbare wijze werken vanaf de late renaissance en de barok tot aan de vroege romantiek spelen.